kop geschiedenis

Alles in de palm van een hand

Het is begin maart 2006 en de wereld ligt nog steeds uit elkaar, maar hier in Utrecht Oost toch wat minder, want het heeft gesneeuwd. Langs het hek van gevlochten wilgentenen ; het is of ik de Middeleeuwen binnenfiets.

‘Wanneer Parzival het kamp van koning Arthur nadert, heeft het gesneeuwd, hoewel het voorjaar al is begonnen. Het bos is helemaal met een wit kleed bedekt. Een valk, die ontvlucht is, heeft een troep ganzen nagejaagd en één daarvan bijna te pakken gekregen. Het dier weet nog net te ontsnappen, maar drie bloeddruppels liggen daar nu in dat witte sneeuwdek.’

Ik probeer uit te vinden hoe het toch komt dat ik me onmiddellijk geborgen voel in zo’n tekstwereld en dat zich in mijn hartstreek een kracht naar binnen vouwt, geen warrige opwinding, meer iets wat er ook weer rustig uit moet, zoals bij zachtjes huilen van geluk. Sneeuw doet dat, ander geluid, ander licht. Maar is dat alles ? Het is ook, denk ik, omdat die wereld zo rijk en toch kristalhelder bekleed is met betekenissen. Alle elementen in het verhaalfragment voeden elkaar met meer betekenis dan er zwart op wit staat. En allemaal samen houden ze die ‘wereld’ overeind. Ik bedoel, alleen een ridder kan oog hebben voor een jagende valk en drie bloedrode vlekjes in de sneeuw. En omgekeerd maken de bloeddruppels in het witte veld de man op het paard weer veel méér tot ‘ridder’ dan je na het lezen van de eerste zin hebt overgehouden.

Dit is de wereld van de Middeleeuwen. De wereld die volmaakt past in het kommetje van de palm van een hand. Zo werd zij ook afgebeeld in de 15-de eeuw, door de gebroeders Van Limburg bijvoorbeeld, door Jan van Eyck en Quinten Massijs : meestal op de voorgrond een Bijbelse scène en daarachter de hele wereld, als lag die op een schaal waar de toeschouwer vanaf een hoge positie schuin in kijkt. De hele wereld ? Ja, maar uiteraard niet in onze huidige aardrijkskundige betekenis. Het gaat om de wereld zoals die bestond in de beleving van de middeleeuwer, waarin alle elementen van de Schepping betekend zijn als onderdeel van Gods maakkracht, streven en strijd. Het geschilderde ‘wereldlandschap’, zoals het is gaan heten, toont de vier elementen : aarde, water, lucht en vuur. Het getal ‘vier’ heeft op zich ook weer een verwijzende betekenis ; de vier punten van Christus’ kruis, het grondpatroon voor de kerkenbouw, de vier evangelisten. Op aarde zijn er vrijwel altijd rotsen ; ook als de schilder van het Vlaamse platteland kwam kon de verwijzing naar het fundament van het christendom moeilijk achterwege blijven. Verder is er altijd een rivier, herinnerend aan de Jordaan. Er is één stad, in de verte, Jeruzalem, dat de positie van Rome als eeuwige stad heeft overgenomen. Waar het getal één voor staat zal u duidelijk zijn.

Alles – hekken, rozen, vissen, witte lelies, donkere wouden, kleuren, torens - staat er in de hoedanigheid die ertoe deed : als betekenisdrager. Herinnerend aan het verband van dat ene grote verhaal. Het fragment over Parzival zou je in die zin een ‘wereldtekst’ kunnen noemen. Drie (!) bloeddruppels in het witte (!) sneeuwdek.

Waarom hierover geschreven?

Het fragment komt uit een boekje dat ik te leen kreeg van een tuingenoot. We kwamen een keer te spreken over het Catharijne Convent , de Middeleeuwen, waarbij ons beider fascinatie voor die rijkdom aan betekenis in de middeleeuwse leefwereld boven kwam drijven. Geboeidheid, en misschien ook wel een verlangen. Hij ervaart de wereld anno 2006 in hoge mate als ‘koud rationeel, prozaïsch, zonder passie en compassie, en versplinterd’, en onder mijn tuingenoten is hij daarin zeker niet de enige. Ik heb dat wat minder sterk maar begrijp heel goed waar ons verlangen vandaan komt. In het huidige tijdsgewricht is de kans veel te groot dat een lezer van het Parzival-fragment begint te wijsneuzen dat ‘de hier bekende valkensoorten nooit een gans zullen aanvallen’. Maar daar gaat het helemaal niet oh-hom !

En dan zijn er de groenten die wij aan de vergetelheid trachten te ontrukken. De oudste daarvan waren in de Middeleeuwen bekende kostverschaffers : rammenas en vooral de pastinaak. Veel van wat we weten over de eet- en teeltcultuur van die tijd, komt uit de annalen van de kloosters. In de buurt van onze moestuin hebben er zeker drie gelegen. Zou u de tuin bezocht hebben in het jaar 1135 dan had u westelijk het klooster Abstede kunnen zien liggen, noord-westelijk het vrouwenklooster Oudwijk en in het oosten de St.Laurens abdij op de plek van het huidige landgoed Oostbroek (achter De Uithof).

In het Kromme Rijn en Heuvelrug gebied waren nog veel meer kloosters die, zoals in de inleiding van dit boekje werd geschreven, vaak een rol speelden bij het in cultuur brengen van het land (b.v. bij Soest). Wakker worden dus, voor de pioniers in het grensgebied van toen.

Om middernacht zal ik opstaan om U te danken

Bij het gloren van de tiende augustus 1135, om twaalf uur ’s nachts, staan de monniken van de benedictijner St.Laurens abdij op om zich te wijden aan de nachtgebedsdienst. Ze hebben geslapen in hun zwarte habijten en hoeven alleen nog een kap over hun hoofd te doen en schoeisel aan te trekken. Vandaag is bijzonder ; het is de feestdag van de naamgever van de abdij, de Heilige Laurentius van Rome, die in 258 de marteldood stierf op een rooster boven een vuur. Na de nachtdienst komt de gemeenschap bijeen in het kapittelhuis waar St.Laurentius wordt herdacht, gevolgd door het Lof der Doden en het lezen uit de Regel van St.Benedictus. ‘…..de oudere broeders onder ons. Laat hun zwakheid ons voortdurend ter harte gaan en laat de gestrengheid van de Regel betreffende het eten niet op hen van toepassing zijn. Mogen zij meelevende aandacht ontvangen en hun maaltijden nuttigen vóór de vastgestelde uren.’, leest de abt uit hoofdstuk 37.

Daarna worden de taken voor die dag toegewezen en zaken betreffende de orde besproken. Aangezien het zomer is, is de volgende dienst om 6.00 uur, de Primen. Dan volgen de diensten elkaar om de drie (!) uren op : 9.00, 12.00, de noen om 15.00 uur, de Vespers, en de dag werd om 21.00 uur besloten met de Completen. Bedtijd. De grote stilte.

Benedictus van Nursia, geboren rond 480, was de auteur van de Regel – een boek met voorschriften – die een voorbeeld werd voor alle kloosters in heel Europa, om te beginnen die van de orde der Benedictijnen. Een voorschrift was bijvoorbeeld dat de dag moest bestaan uit acht uur werken, acht uur bidden en acht uur slapen. Maar de Regel ging over nog veel meer. Tot in detail stond beschreven hoe om te gaan met ouderen, met zieken, met nieuwe kloosterlingen, met sterfgevallen, met hygiëne, met eten, met bestek, met drinken en met gasten. Gasten moesten volgens de Regel ontvangen en behandeld worden alsof het Jezus zelf betrof. Een abdij had dan ook een gastenverblijf, dat zeer in trek was bij reizigers.

De augustuszon komt al niet zo hoog meer, de schaduwen beginnen te lengen. De zuidenwind voert de geur mee van de bakkerij en de moutgeur van de brouwerij. Monniken zijn aan het werk in de tuin. Er staan kruiden als selderij, koriander, dille, peterselie, kervel, bonenkruid, munt, bokshoorn, salie, wijnruit, lavas, en agrimonie. Dan zijn er de nog belangrijker planten die uitsluitend voor medicinaal gebruik zijn. De kruiden staan in groepen, niet heel streng gescheiden van de groenten als uien, knoflook, prei, bieten, rammenas, veldsla, kool en pastinaak. Voor het letterlijk levenbrengend water is de Kromme Rijn met een stroompje afgetapt. Een levensboom in het midden. En om de drie uur klinkt het luiden van een klok over de velden.

De Schepping : een straffe studie of een bron van genot?

Zou dat niet irritant zijn geweest, om de drie uur die bel, het werk afbreken en iets anders gaan doen? Dat kan zo bij een hedendaagse tuinder opkomen. Toch denk ik dat onze monniken in 1135 dat zo niet ervaren hebben. Het werken zelf was immers een vorm van mediteren en vooral eer bewijzen aan God. Het één werd dus niet onderbroken door iets volstrekt anders, maar twee vormen van eerbetoon wisselden elkaar af.

Maar is het dan niet irritant als je net lekker buiten in de natuur bezig bent, een beetje in jezelf gekeerd, je bent toch al niet zo’n groepsmens, en dan moet je weer naar binnen om met z’n allen……Ik zal mijn eigen voorzet ook inkoppen : de natuur, de Schepping, werd ervaren als Boek vol tekens die verwezen naar Gods wil, plan en almacht. Dat Boek moest in de eerste plaats bestudeerd worden. Naast honger had Hij gezorgd voor het eetbare, naast ziekten voor plantaardige remedies, naast temperamenten voor voedsel dat tegenwichten bood. De tekens moesten gelezen worden. Soms sprak God duidelijke taal : de vorm en tekening van longkruidblad verwezen naar de helende werking bij longziekten. Noten waren droog en heet, wekten het cholerische op, en waren daarom geen geschikt voedsel voor heetgebakerde of koortsige mensen. Maar vaak vergden de tekens heel wat meer interpretatie, uitleg en studie. Daar komt bij dat de Duivel ook een werkelijkheid was, die de mensen via de zintuiglijke geneugten aan zijn kant probeerde te krijgen. Zonder de pretentie de middeleeuwse ziel te kunnen peilen, denk ik toch dat ‘genieten van de natuur en het buiten zijn ‘ niet zo spontaan en voluit kon zijn als nu.

De kerkvader Hieronymus trok zich lange tijd terug in de woestijn, woonde in een grot, en zag af van alle dingen die het leven prettig of makkelijk zouden kunnen maken. Velen volgden hem na in die afscherming van zintuiglijke verleidingen. In vergelijking daarmee was de Regel van Benedictus al een stuk milder en menselijker. Dus wie weet konden onze monniken in Oostbroek op bepaalde momenten, en op een bepaalde manier, toch ook wel genieten. De vraag waar de grens moest liggen is voortdurend in discussie geweest. Toen de benedictijner kloosters als te vrijelijk werden beschouwd, werden er andere, strengere orden gesticht. Soms liet men dan de handarbeid door lekebroeders, of ook wel slaven, verrichten, zodat de monniken zich geheel aan gebed en studie konden wijden. Weer anderen, zoals de Karthuizers, hadden het kluizenaarsbestaan in de woestijn bewust als model voor ogen. Zo droegen ze ongemakkelijke ruwharige kleding en aten ze weinig tot niets.

De abt Bernard van Clairvaux schrijft in 1125 galspuwend over de rijkdom van het klooster in Cluny : ‘(…) wij die om Christus te winnen al het mooie, lekker ruikende, mooi klinkende, zacht aanvoelende, lekker smakende – kortom, alle lichamelijke genoegens – zijn gaan beschouwen als drek, wat verwachten we dat dit alles ons zal opleveren ?’

Straffe studie of ook een zekere bron van genot ? Een scherpe vraag daarin is : stonden er bloemen in die tuin, en zo ja, waarom of waartoe stonden ze er ? Ja, er stonden bloemen om reden van hun medicinale werking, maar dat is nog steeds bittere ernst. Zomaar een mooi feestelijk bosje, dat was ondenkbaar ! Als bloemen ter verfraaiing werden gebruikt, dan toch zeker om het altaar mee te sieren. Lange tijd werd gedacht dat bloemen zo, bij wijze van offer op het altaar werden gebruikt, maar dat is zeer twijfelachtig. De Romeinen wel, die droegen guirlandes op heilige plekken en lieten in processies beesten meelopen die met bloemen- en groenteslingers behangen waren. Maar voor de vroege christenen was er in hun geloof helemaal geen plaats voor zelfopoffering of offerande. Immers, de zelfopoffering van Jezus was alle mogelijke offers voorbij. Later in de geschiedenis is er altijd verschil van mening gebleven over offeren ; was niets te goed voor God, of kon je er beter de armen van helpen ? Terug naar de vraag : het is onwaarschijnlijk dat er bloemen gekweekt werden speciaal voor altaarversiering. Wel stond men nieuwelingen in het klooster, geestelijken in proeftijd, toe om bloemen daarvoor te gebruiken. Omdat de benedictijnen in dergelijke zaken nog het meest psychologie aan de dag legden, zou dat ook in Oostbroek zo geweest kunnen zijn.
Dat de mensen de onzienlijke dingen van God uit de schepselen verstaan en doorzien, schreef Augustines. Vanwaar al dat wikken en wegen over studieuze ernst en versiering ? Het ging om de aloude kwestie van de afgoderij ; dat wat oorspronkelijk bedoeld is als teken van eerbied of liefde voor de Heilige Drie-eenheid, de Heilige Familie of de Heiligen, in de vorm van beelden, versierselen, schilderingen, goud, kan heel makkelijk zelf voorwerp van aanbidding worden. Het moest wel zo blijven dat men via het beeld van Maria tot Maria zelf bad. Ging men te zeer op in het beeld, dan raakte Maria zelf uit beeld. Maria zelf, die zich in een andere wereld bevond, in een ‘werkelijkheid’ achter de onze. Die, in de beleving gedeelde, werkelijkheid maakte het de mensen mogelijk te leven met het gegeven van de dood. En straalde het beeld van Maria al schoonheid en goedheid uit, dat was slechts een onvolkomen afspiegeling van de ultieme Schoonheid en Goedheid van Maria zelf.

Het blijft een goed-geïnformeerde gok, maar op die manier zou er vanuit de middeleeuwse leefwereld ook naar de natuur gekeken kunnen zijn. De natuur als verzameling tekens die verwezen naar de ‘andere werkelijkheid’ die er echt toe deed. En als de beuk, die hier voor mij staat, slechts een teken is dat herinnert aan die andere bomen, die er echt toe deden – de boom van de kennis van goed en kwaad, en de levensboom – dan hoef ik déze boom ook niet nauwlettend te bekijken en te ervaren. Ook de verschillen tussen bomen, de rijkdom aan soorten en vormen, hoeft mij dan niet speciaal bezig te houden. In de heel vroege beeldende kunst volstaat dan ook een schema van een boom, zoals jonge kinderen dat hanteren.

Als ik me zo verder inleef, voelde de middeleeuwer : deze natuur doet bij mij een verlangen opkomen naar die zo veel mooiere, sublieme natuur aan de andere kant.

Vanwaar toch het verlangen?

Ik keer terug naar mijn winterlandschap. Het wit van de sneeuw, ander geluid, ander licht. Rijk en toch helder is de wereld bekleed met betekenissen. Die rijkdom aan betekenis is bij nader inzien toch niet de kern van mijn verlangen. Dat je in drie druppels de Drie-eenheid kunt ‘lezen’ en in witte sneeuw de maagdelijkheid van Maria, daar veer ik wel van op, maar dan zoals ik van veel exotische dingen kan opveren.

Nee, het gaat meer om die helderheid, de samenhang in eenvoud. Het licht speelt daarbij een belangrijke rol ; alleen als het gesneeuwd heeft rust de wereld in wit, ongebroken licht. Licht dat alle kleuren, waarin het normaliter uiteenspat, nog onzichtbaar gebundeld houdt. De dichter Nijhoff schreef :

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren: / Kleuren zijn daden van het licht dat breekt. / Het leven breekt zich in het bont gebeuren, / En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

Bij een overmaat aan bont gebeuren kan een mens wel eens verlangen naar heldere eenvoud. Sterker nog, naar kernachtige eenvoud. Naar een wereld die herinnert aan het verhaal over de paradijselijke eenheid voordat die gebroken werd, voordat de tweedracht wortel schoot, voordat het uit de hand liep.

Laan van Maarschalkerweerd 2
3585 LJ Utrecht
Telefoon: 030 2144869
Email: info@moestuinutrecht.nl